Waarom we taalwetenschappers nodig hebben

We zien 105.000 woorden per dag. We spreken gemiddeld 16.000 woorden uit per dag. Dagelijks worden er miljoenen blogs en tweets de wereld ingestuurd. Meer dan ooit leven we in een verbale maatschappij. Komt daarbij: niet alles wat gezegd en geschreven wordt, is waar. Te pas en te onpas spreekt men over ‘fake news’. ’s Avonds worden hele praatprogramma’s gevuld door te reageren op 1 tweet. Wat bedoel je juist met ‘ecorealist’ of ‘econegationist’? Vaagheid troef. Niemand weet het nog. En vooral diegene die het luidste roepen, of de mooiste quote hebben – krijgen het forum.

Dit is van alle tijden. Taal is een middel dat al van oudsher wordt ingezet om te manipuleren, te bedriegen of te verleiden. Alleen is vandaag de exponentiële kracht veel groter dankzij internet en sociale media.

Gelukkig zijn er taalwetenschappers

Een taalwetenschapper deconstrueert zinnen om die nadien weer op te bouwen. Waarom doet hij dat? Omdat hij zo echt kan verstaan wat er geschreven staat. Om duiding te geven wat iemand precies écht bedoelt. Of waarom hij enkel zijn verhaal vertelt vanuit dat perspectief.

Een taalwetenschapper vertrekt vanuit de grammatica. Zinsontleding. Dan kom je uit bij structuralist de Saussure over signifiéen signifiant. Bij Noam Chomsky, bedenker van de generatieve grammatica in de jaren 60. Of recenter Michael Tomassalo en zijn inzichten in ‘Constructing a language’.

“Je krijgt een korting op je leefloon”

Een tijdje geleden hoorden we een partijvoorzitter zeggen: ‘We denken eraan om mensen die een beroep doen op het leefloon “een korting” te geven op het leefloon als ze hun kinderen niet naar school sturen’.

Op het eerste gezicht, mooi gezegd: mensen, korting, geven, … klinkt alsof we iets extra krijgen. Maar als we naar de constructie van die zin kijken, dan vertelt die toch een ander verhaal. ‘Geven’ is een datief werkwoord. Een datief werkwoord draagt inherent in zich dat er een overdracht plaatsvindt van iets naar iemand anders. Maar ‘geven’ is hier gebruikt in de antidatieve betekenis van ‘onthouden’. Het is hier dus een privatief werkwoord thuishorend in de categorie ‘afnemen, ontnemen’.

Daaruitvolgend krijgt het woord korting de omgekeerde mentale betekenis. Bij korting denk je spontaan aan het werkwoord ‘krijgen’ (receptief werkwoord). Je wordt als luisteraar op het verkeerde spoor gezet. Want je krijgt helemaal niets, wel integendeel! Zo krijgt het woord korting (signifiant) de mentale lading (signifié) van ‘boete’.

Ook de aanhef van de zin: ‘we denken eraan’ is niet toevallig gekozen. ‘Denk eraan’ heeft een zekere vaagheid in perspectief, maar niet mis te verstaan.

Want wat gaat over de tongen? ‘Dit is wat moet gebeuren’. Dus eigenlijk is ‘eraan denken’ gewoon ‘we moeten dat doen’.

Wat wordt er eigenlijk gezegd? ‘Wie zijn kind niet naar school stuurt, die krijgt een stuk minder leefloon. Die gaan we financieel straffen.’ Voila. En dan is een woord als ‘korting’ en ‘geven’, verwarring zaaien en zelfs een pure vorm van sarcasme.

We worden als lezer continu bij de neus genomen

Dit is hoe een taalwetenschapper naar taal kijkt. Dit is waarom taalwetenschappers meer dan ooit nodig zijn in onze samenleving die bulkt van verzonnen berichtgeving en sensationele tweets. We zijn verbaal de weg aan het verliezen. We worden als lezer continu bij de neus genomen. Want dagelijks denken organisaties, media en politiek na over hoe ze de boodschap kunnen brengen om een maximaal bereik te hebben. Of het nu strookt met de werkelijkheid of niet, is daaraan vaak ondergeschikt. Belangrijk is immers om een van die 105.000 woorden te zijn die wél gelezen en opgemerkt te worden.

Taalwetenschappers tonen u via de grammatica wat er écht gezegd wordt. Cruciaal. Want een samenleving draait op taal. Op woorden. Op nuance. Als de betawetenschappen willen overleven, hebben ze de alfawetenschappen nodig.

En da’s toch een economisch argument om Talen te studeren. Bijvoorbeeld het vak Algemene Taalwetenschap in de opleiding Taal en Letterkunde.